Bij de wisselwerking tussen mens en milieu zijn voor de mens de zintuigen van groot belang. Ik sta eens even stil bij de tastzin, het zintuig dat wellicht het meest geassocieerd wordt met gevoel.
Volgens Wikipedia is de tastzin “het zintuig dat zorgt voor een tactiel contact met de wereld, het kan 3 soorten stimuli dedecteren: druk, pijn en temperatuur. Het bijbehorende orgaan bij mens en dier voor de tastzin, is de huid.”
De stimuli op zich zeggen ons niets. Stimuli krijgen betekenis als we ze ergens aan kunnen refereren. Om te bepalen of het warm of koud is, bijvoorbeeld, dienen we inzicht te hebben in het fenomeen temperatuur. Meneer Celsius heeft ooit een referentiekader bedacht, waarbij de vorm van water maatgevend was: als water kouder werd dan wat hij 0 graden noemde, vormde water zich tot ijs en dat kunnen we associxebren met koude; als water warmer werd dan wat hij 100 graden noemde, vormde water zich tot waterdamp en dat kunnen we associxebren met hitte.
Ik gebruikte zojuist het werkwoord “zeggen” in verband met betekenisgeving en het zelfstandig naamwoord “inzicht” inverband met het referentiekader. In onze cultuur zijn we namelijk gewend om betekenissen te duiden met woorden en woorden kunnen worden gezegd, terwijl “we” graag met de ogen dingen vergelijken en dus het woord inzicht koppelen aan referentiekader. Ik merk dit even op, omdat ik soms meemaak dat mensen bij mij, vanwege mijn blindheid, niet goed weten of zij het woord “zien” of daarvan afgeleide woorden kunnen gebruiken. Er blijkt dus door iedereen wel met woorden gewerkt te worden die je soms niet al te letterlijk dient te lezen.
Een woord dat nog niet zo lang in onze samenleving gebruikt wordt, is “gevoelstemperatuur”. Het referentiekader dat door meneer Celsius is bedacht, gaat namelijk uit van tamelijk absolute graden: bij minder dan 0 graden bevriest water en bij meer dan 100 graden verdampt water. Maar wat is nu gevoelstemperatuur?
Afgelopen week was het donderdag zo’n 20 graden en de dag erna bijna 10 graden kouder (uitgaande van het referentiekader van Celsius). Die 10 graden kouder voelde inderdaad veel kouder aan, maar als het eerst -5 graden Celsius was en de dag erna 5 graden Celsius, dan zou de 5 graden Celsius warmer hebben aangevoeld dan de 10 graden Celsius vrijdag jl. Behalve de referentie aan het kader van Celsius is er namelijk ook bijvoorbeeld de referentie aan achtereenvolgende gewaarwordingen. Toch wordt volgens Wikipedia wat anders bedoeld als het om gevoelstemperatuur gaat.
“Het verschijnsel Gevoelstemperatuur of windchill is, dat het in de wind een stuk kouder kan aanvoelen dan uit de wind. Hoe kouder het is en hoe harder het waait, des te kouder voelt het aan. We kunnen dat warmteverlies uitdrukken in een soort gevoelswaarde van de temperatuur.
Voor de berekening daarvan bestaan verschillende methoden, waardoor in de media voor dezelfde dagen uiteenlopende getallen opduiken. Het KNMI maakt in 2003 gebruik van de formule die de Amerikaanse textielfabrikant Robert Steadman heeft ontwikkeld. Zijn berekening is gebaseerd op het evenwicht tussen warmteverlies en warmteproductie van een gezond persoon. Hij gaat ervan uit dat de kleding is aangepast aan de weersomstandigheden en dat de persoon in de buitenlucht wandelt met een snelheid van bijna vijf kilometer per uur.
Bovendien betrekt Steadman in zijn berekening gegevens van de windsnelheid, luchtvochtigheid en zonnestraling.
Een wandelaar zal een paar graden vorst bij een matige wind (windkracht 3) als enkele graden kouder ervaren. Bij een stormachtige wind is het voor zijn gevoel nog zeker 10 graden Celsius kouder. Een fietser zal de kou weer heel anders ervaren, waarbij het natuurlijk ook uitmaakt of hij wind tegen heeft. Onder extreme weersomstandigheden zijn in Nederland gevoelstemperaturen opgetreden van -20xb0C tot -25xb0C. Tijdens windvlagen
kan de gevoelstemperatuur dan onder -30xb0C komen.”
Enfin, “gevoelstemperatuur” wordt volgens Wikipedia beschouwd als een alternatief voor het referentiekader van Celsius waarbij dus behalve met het element water ook rekening gehouden wordt met andere elementen. Bij een definitie van gevoelstemperatuur zou ik meer het subjectieve in plaats van het objectieve aspect verwachten, want gevoel vind ik nogal subjectief (wat ik zojuist al duidde met de gewaarwording in tijdsperspectief).
Ik ben het trouwens niet eens met wat op Wikipedia stond over detectie van pijn door de huid, want volgens mij is pijn het gevolg van te veel stimulie. Als ik mijn hand tegen de radiator houd, en ik doe dat hier nu even proefondervindelijk, dan voel ik dat er weinig warmte uit straalt. Als de kachel evenwel volop aan zou staan, dan zou ik bij aanraking van de ratiator pijn gewaarworden. Als ik daarentegen ijsblokjes uit de vriezer pak, dan kan ik dat ook niet lang vasthouden, dus te veel kou geeft ook een pijngewaarwording. Bij pijn aan de hand reageren we met een terugtrekreflex en bij “pijn”aan de ogen (als gevolg van plots fel licht) knipperen we met de oogleden.
Net als pijn is jeuk trouwens ook een eigenaardig verschijnsel. Het is de sensatie waardoor de neiging ontstaat om te gaan krabben op de plaats des jeuks, wat mij aan een uitspraak van Kees van Kooten doet denken: “als je in de wei de ene koe met haar kop tegen de andere koe ziet schuren, heeft maar een van hen jeuk”.
Net als koeien weten wij dat huid-op-huid-contact bijvoorbeeld aangenaam kan zijn, zoals daar is: de streling. Maar ook apen vinden het plezierig om uit tijdverdrijf bij elkaar te vlooien, terwijl mensen het vergelijkbaar aangenaam kunnen vinden in de kapsalon om gekamd of geborsteld te worden…
Zouden koeien trouwens zoenen?
Maar net zo goed kan huid-op-huid-contact als onaangenaam ervaren worden, waarbij de klap wellicht het bekendste voorbeeld is. Visueel contact wordt doorgaans minder confronterend gevonden dan tactiel contact, terwijl de foto van de smalle rijksweg over de Haringvlietbrug voor velen in een oogopslag meer zal betekenen dan 1000 woorden. Bij de zintuiglijke waarneming gaat het dan ook steeds om de betekenisgeving.